In het kort
Een afvalplateau is een periode van een paar weken waarin je gewicht niet verder daalt, terwijl je eerst wel afviel. Meestal zit de oorzaak in porties, drankjes of het weekend.
Voor wie eerst afviel en nu al een paar weken hetzelfde getal ziet.
Weeg een paar weken op vaste momenten, schrijf een paar dagen alles op wat je eet en drinkt, weekend inbegrepen, en kies daarna één aanpassing.
Het korte antwoord
Een afvalplateau doorbreek je niet door nog strenger te gaan eten. Je checkt eerst of je gewicht echt stilstaat.
Daarna zoek je waar je tekort kleiner is geworden en pas je daar één ding aan.
Dat afvallen na een tijd vertraagt, is normaal. Er spelen drie dingen. Je weegt minder, dus je lichaam verbruikt minder.
Porties en extra's sluipen langzaam omhoog. En vocht schommelt zo sterk dat het vetverlies een paar weken uit beeld houdt.
Je stofwisseling zit dus niet op slot. Hij hoort nu bij een lichter lichaam. Daar stem je je eten op af.
Staat je gewicht echt stil?
Het getal op de weegschaal is geen vetmeter. Het is alles bij elkaar: vet, spieren, vocht en wat er nog in je maag en darmen zit.
Tussen twee ochtenden schommel je daardoor al snel een halve tot een hele kilo.
Zout eten, een vrije dag met veel koolhydraten, een zware training of je menstruatiecyclus: allemaal laten ze je lichaam tijdelijk meer vocht vasthouden.
Dan verlies je soms wel vet, terwijl het getal een week lang niet beweegt.
Weeg daarom onder dezelfde omstandigheden: 's ochtends, na het toilet, voor het ontbijt, op dezelfde weegschaal. Vergelijk niet maandag met dinsdag.
Vergelijk het gemiddelde van deze week met dat van twee weken geleden. Zit je broek ruimer terwijl het getal gelijk blijft, dan is dat ook informatie.
Pas als dat weekgemiddelde twee tot drie weken niet daalt, heb je een plateau. Eén hoge ochtend is dat niet.
Wat zegt de weegschaal?
Waarom gaat afvallen na een tijd langzamer?
Stel je voor dat je elke dag dezelfde wandeling maakt met een rugzak vol stenen. Elke week haal je er een paar uit. De route blijft even lang, maar hij kost je steeds minder energie.
Zo werkt het ook met afvallen. Een lichter lichaam kost minder energie om te dragen, en ook in rust verbruikt het iets minder.
Het eten waarmee je in de eerste maand een flink tekort had, geeft een paar maanden later een kleiner tekort. Dan gaat afvallen langzamer, ook als je precies hetzelfde blijft doen.
Hall en collega's rekenden dat door: gewichtsverlies loopt niet als een rechte lijn, maar als een curve die steeds vlakker wordt.
Soms daalt het verbruik nog iets verder dan je op basis van je nieuwe gewicht zou verwachten. Dat heet metabole aanpassing.
Een onderzoeksoverzicht van Nunes en collega's vond dat dat effect in goed opgezette studies klein was of niet duidelijk aantoonbaar. Je lichaam weigert dus niet. Het is alleen lichter geworden.
Daar komt je gewone week bij. Na een paar goede weken schep je iets ruimer op. Er komt weer een glas wijn bij het eten.
De vrije dag begint op vrijdagavond. Elk los ding stelt weinig voor. Samen eten ze het tekort op dat nog over was.
Je stofwisseling zit niet op slot. Je tekort is kleiner geworden.
Dat komt deels door je lagere gewicht en deels door kleine dingen die er ongemerkt bij kwamen. Dat tweede deel heb je zelf in de hand.
Waar zit het meestal?
Loop deze punten na, in deze volgorde. Het eerste is het saaiste en wordt het vaakst overgeslagen: klopt je meting wel?
Daarna je porties. Een maaltijd die je vaak maakt, wordt ongemerkt groter. Er gaat een scheut olie extra in de pan, er komt kaas overheen, je proeft tijdens het koken.
Schrijf een paar dagen alles op wat je eet en drinkt. Dat is geen tellen voor altijd. Het is een paar dagen zoeken waar het lek zit.
Dan je drankjes en je weekend. Sap, alcohol en een latte tellen gewoon mee. En een vrije dag die op vrijdagavond begint en op zondagavond eindigt, is geen dag meer.
Kijk tot slot naar je dag. Beweeg je minder dan een maand geleden, omdat je vaker thuiswerkt of omdat het regent? Slaap je slechter? Na korte nachten eet je vaak meer en kook je minder.
Zoek wat er in jouw week echt veranderd is sinds je nog wel afviel. Daar zit het antwoord meestal.
1. Meetmomenten
Zelfde tijd, zelfde weegschaal, gemiddelde per week.
2. Porties en extra's
Olie, kaas, noten en proeven tijdens het koken.
3. Drankjes
Sap, alcohol en koffie met extra's.
4. Weekend
Waar begint je vrije dag, en waar houdt hij op?
5. Dagelijkse beweging
Loop je minder dan een maand geleden?
6. Slaap en stress
Eet je meer of anders na een korte nacht?
7. Eén keuze
Kies het punt dat het duidelijkst veranderd is.
Kies één aanpassing en maak hem concreet
Heb je gevonden waar het zit, pas dan dat ene ding aan. De rest houd je gelijk.
Drink je elke dag een glas sap dat er eerst niet bij hoorde? Vervang het door water of thee. Zijn je porties gegroeid?
Gebruik een vast bord of een vaste kom en schep één keer op. Maak de maaltijd niet zo klein dat je om negen uur alsnog de kast opentrekt. Dan schuif je het probleem alleen op.
Loop je minder dan vroeger, plan dan een vaste wandeling na de lunch. Twintig minuten die je echt loopt, zijn meer waard dan een uur dat in je agenda blijft staan.
Een vertrouwd gerecht helpt bij het vergelijken. Maak je elke week chili con carne, dan zie je snel of je bord voller is dan in week één.
Waarom één aanpassing tegelijk?
Pas je vier dingen tegelijk aan en val je weer af, dan weet je niet wat werkte. Stopt het daarna weer, dan weet je ook niet wat je moet terugdraaien.
Met één aanpassing is het een eerlijke test. Schrijf vooraf op wat je doet en wanneer. Bijvoorbeeld: op werkdagen na de lunch twintig minuten lopen.
Let daarna op twee dingen. Lukt het op de meeste dagen? En krijg je er meer honger van?
Geef het twee tot drie weken. Korter zegt weinig, omdat vocht de eerste week alles overstemt. Daalt je weekgemiddelde weer, houd de aanpak dan zoals hij is.
Blijft het gelijk terwijl je de afspraak goed uitvoerde, pak dan het volgende punt van de lijst.
- Vooraf
Kies één aanpassing en noteer je weekgemiddelde.
- Week 1
Voer hem uit. Let op wat lastig is, niet op de weegschaal.
- Week 2
Blijf hem uitvoeren en weeg op vaste momenten.
- Daarna
Vergelijk de weekgemiddelden. Daalt het, dan ga je door. Blijft het gelijk, dan pak je het volgende punt.
Niet strenger, wel preciezer
De reflex bij een plateau is harder gaan: maaltijden overslaan, nog meer schrappen, extra sporten. Op de weegschaal zie je dat soms even terug.
Maar je krijgt er honger van, en een aanpak waarbij je de hele dag honger hebt, houd je niet lang vol.
Een extra grote vrije dag lost ook niets op. Een vrije dag is geen middel tegen een plateau.
Hij is geplande ruimte in je week, zodat de andere zes dagen te doen blijven. Wat je op die dag eet, telt gewoon mee.
De factsheet over afvallen van het Voedingscentrum legt de nadruk op veranderingen die je blijft volhouden. Kies dus een aanpassing die je over twee maanden nog steeds doet.
Wanneer ga je naar de huisarts?
Verandert je gewicht onverwacht, heb je andere klachten of gebruik je medicatie die je gewicht of eetlust beïnvloedt, ga dan eerst naar je huisarts.
Dat geldt ook bij zwangerschap, diabetes of een eetstoornis in je verleden. De NHG-Standaard Obesitas kijkt verder dan het getal op de weegschaal, en je huisarts doet dat ook.
Merk je dat je steeds strenger wordt, bang wordt voor eten of beweegt om eten goed te maken, zoek dan ook hulp. Een plateau is dat niet waard.
Zo doet 42dagen het
Met het slow carb dieet heb je bij een plateau een voordeel: je eet steeds dezelfde maaltijden. Daardoor zie je sneller wat er veranderd is.
Is de portie gegroeid? Drink je weer calorieën? Loopt de vrije dag uit? Vaste regels voorkomen geen plateau, maar ze maken het zoeken korter.
Bij 42dagen doe je dat zes weken, met elke dag een korte les in de app. Viel je nog helemaal niet af, dan is het geen plateau. Lees dan waarom je niet afvalt terwijl je gezond eet.
Begin vandaag bij het saaiste punt. Weeg morgenochtend op een vast moment en schrijf drie dagen alles op wat je eet en drinkt.